Arbocuratieve samenwerking: Kanker en werk

Op 23 november 2017 vond het symposium ‘Arbocuratieve samenwerking’ plaats, georganiseerd door de ministeries van SZW en VWS. Het symposium is georganiseerd rondom vier deelthema's waarop arbocuratieve samenwerking plaatsvindt; kanker en werk, infectieziekten, psychische klachten/ aanpassingsstoornissen en longziekten. Voor het symposium zijn vijf video’s gemaakt waarin goede voorbeelden op het gebied van samenwerking worden vertoond. Dit is de inspiratievideo voor het thema kanker en werk.

Arbocuratieve samenwerking: Kanker en werk

Er zijn meer dan 100.000 nieuwe gevallen van kanker in Nederland, per jaar.

44.000 van die mensen zitten in de leeftijd van de beroepsbevolking, dus tussen de 18 en de 66 jaar.

Ik denk dat we in het ziekenhuis heel erg bezig zijn met de behandeling, dus medisch technisch de beste zorg leveren.

En dat we een beetje vergeten dat zo’n patiënt ook na afloop van een behandeling weer het werkproces terug in moet gaan.

Ik denk dat dat het grootste probleem is en dat we elkaar eigenlijk zouden kunnen vinden als we veel eerder in het proces..

Misschien wel zelfs structureel een bedrijfsarts inzetten om een gesprek aan te gaan met de patiënt.

Ik zou het fijner vinden als tussen de bedrijfsarts en de behandelend arts ook een pro actievere samenwerking zou zijn.

Ik merk dat bedrijfsartsen niet altijd staan te trappelen om medische informatie op te halen bij behandelaars, terwijl dat wel nodig is voor een goede weging.

En als ik vraag waarom dat is, dan hoor ik vaak dat daar vanuit de andere kant ook niet zo actief op geschakeld wordt.

Dat ook behandelaars niet zitten te wachten op het verstrekken van informatie.

Tegenwoordig kunnen patiënten steeds meer zelf beslissen en zelf nadenken over wat er aan keuzes zijn, dus het is gewoon goed..

In die samenwerking kun je met elkaar bespreken van goh, dit is misschien medisch wel de beste behandeling, maar voor deze persoon, omdat ie tandarts is..

Kiest hij misschien wel voor een hele andere behandeling, omdat hij anders met die eerste behandeling zijn werk misschien niet meer kan doen.

Eigenlijk bij het eerste contact dat ik met de patiënt heb vraag ik heel uitgebreid naar de sociale anamnese zoals we dat noemen.

Dus ik vraag de familiegeschiedenis na en ik vraag vooral ook, wat doen ze voor werk, wat hebben ze gedaan?

Dus dan heb ik al een beeld van wat voor een beroepssituatie iemand vandaan komt en ik zal altijd in de loop van het behandeltraject daar weer op terugkomen.

Dat het ok is om ook over werk te praten, ongeacht welke diagnose mensen naar huis gaan.

Dat werk een belangrijk deel in het leven is geweest en heel vaak ook nog is en zal blijven.

Dan is het ook fair naar de mensen zelf om daar aandacht voor te blijven vragen.

Als het kan is het heel erg belangrijk om betrokken te blijven bij het werk. Het werk geeft je structuur, het geeft je vaak ook zin, je bent even niet patiënt als je op het werk bent.

In de praktijk blijken collega’s het ook heel prettig te vinden als je er gewoon bent. En het blijkt dat als mensen aan het werk blijven..

Dat ook de uitkomst op langere duur ook veel beter zijn wat de re-integratie betreft.

Ik gun patiënten ergens in hun behandeltraject een moment dat even goed nagedacht wordt over, wat na deze behandeling. Hoe kan ik weer gaan re-integreren?

En niet pas op het moment dat onze behandeling eigenlijk afgelopen is, want dan zijn we eigenlijk, in mijn ogen te laat.