Biologische agentia zijn micro-organismen en andere dragers van plantaardige of dierlijke herkomst die bij blootstelling ernstige gezondheidsrisico's kunnen opleveren.

Het begrip biologische agentia omvat al dan niet genetisch gemodificeerde micro-organismen, bijvoorbeeld virussen, bacteriën schimmels of parasieten, die een infectie, allergie of toxiciteit kunnen veroorzaken.

Hiertoe behoren ook: 

  • ‘producten’ van dode bacteriën en schimmels (zoals toxines);
  • weefselkweek (celcultures);
  • prionen (virus-eiwitten die net als virussen infecties kunnen veroorzaken).

Biologische agentia zijn voor het blote oog onzichtbare, vaak aanwezige biologische agentia die zich onder bepaalde omstandigheden heel snel kunnen vermenigvuldigen. Als één bron aanwezig is en de omstandigheden ernaar zijn, kan dit in één ogenblik tot risicovolle situaties leiden.

Bacteriën

Bacteriën zijn de kleinste ééncellige micro-organismen die zichzelf geheel zelfstandig door celdeling kunnen vermenigvuldigen. Er zijn vele soorten bacteriën in verschillende groottes (0,1 – 20 μm) die in allerlei verschillende omstandigheden kunnen overleven. Er worden twee groepen bacteriën onderscheiden: de Gram-positieve en de Gram-negatieve bacteriën (op basis van de zogenaamde Gram-kleuring ten behoeve van microscopisch onderzoek). Deze twee groepen verschillen in vele opzichten van elkaar, onder meer in de opbouw en samenstelling van de celwand. Van bacteriën bestaan zowel ziekmakende (zogenaamde pathogene) soorten als soorten waarvan de mens niet ziek wordt maar juist profijt van heeft. Sommige bacteriesoorten kunnen sporen vormen. Dit zijn inactieve vormen van bacteriën om in barre tijden (geen voedsel en vocht) te kunnen overleven.

Virussen

Virussen zijn de kleinste micro-organismen (0,01 – 3 μm) en zijn zeer kleine en simpele organismen die levende cellen nodig hebben om zich te vermenigvuldigen. Virussen worden ingedeeld op basis van:

  • het soort genetisch materiaal (RNA of DNA);
  • vorm;
  • de aan- of afwezigheid van een lipide(vet)-coating;
  • de manier waarop het virus werkt in de cel (het retrovirus wordt bijvoorbeeld een onderdeel van het DNA van de gastheer);
  • enkele andere karakteristieken.

Schimmels en gisten

Schimmels en gisten behoren tot de fungi (waartoe ook paddenstoelen behoren) en voortplanting geschiedt via sporen. Schimmels zijn meercellige organismen (2-300 μm). Het kenmerk van schimmels is dat zij een mycelium kunnen vormen: vele cellen die via allerlei vertakkingen met elkaar verbonden zijn. Een mycelium is vaak goed te zien met het blote oog; schimmels zijn daarmee dus één van de weinige micro-organismen die met het blote oog zichtbaar zijn. Schimmels leven van dood organisch materiaal of op levende gastheren. Gisten zijn ééncellige schimmelvormige organismen.

Prionen

Een prion is eigenlijk geen micro-organisme, maar een soort infectieus eiwit (kleiner dan een virus) dat prionziekten of spongiforme encefalopathieën veroorzaakt (bijvoorbeeld gekkekoeienziekte). Prion is een afgekorte naam voor een proteïne-achtig infectieus deeltje. Het betreft een gemuteerde vorm van een eiwit dat in gezonde hersenen van nature voorkomt, maar een afwijkende structuur heeft. Er wordt verondersteld dat het gemuteerde eiwit (het prion) ziekten veroorzaakt wanneer het in contact komt met het normale eiwit.

Protozoën

Protozoën zijn ééncellige diertjes (1-500 μm). Zij kunnen in een gastheer leven en zich daarin voortplanten. Een voorbeeld is de plasmodiumparasiet die door malariamuggen wordt overgedragen en bij de mens malaria kan veroorzaken.

Genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s)

Van veel levende organismen (virussen, bacteriën, planten, etc.) zijn genetisch gemodificeerde varianten mogelijk. Hierbij heeft de mens met behulp van moderne biotechnologische technieken kunstmatige veranderingen aangebracht in de erfelijke eigenschappen van het organisme. Genetisch gemodificeerde organismen worden wettelijke geregeld door het Besluit Genetisch Gemodificeerde Organismen. In het algemeen geldt dat aan het werken met genetisch gemodificeerde micro-organismen strenge eisen zijn verbonden, niet alleen vanwege het potentiële besmettingsgevaar van werknemers, maar ook vanuit het oogpunt van algemene volksgezondheid en effecten op het milieu. Men introduceert immers nieuwe varianten van micro-organismen waarvan niet uit te sluiten is dat ze ziekteverwekkend kunnen zijn.

Toxinen

Er zijn verschillende soorten toxinen die relevant kunnen zijn. Sommige toxinen worden actief door een micro-organisme uitgescheiden. Andere toxinen worden niet actief uitgescheiden maar vormen een onderdeel van de structuur van het micro-organisme en kunnen bij contact ook gezondheidsproblemen veroorzaken.

Zoönosen

Zoönosen zijn eigenlijk geen groep van micro-organismen, maar een term die veel voorkomt en dus van belang is hier even te noemen. Zoönosen zijn besmettelijke ziekten die van dieren op mensen worden overgedragen. Wereldwijd zijn er een paar honderd beschreven. Ze kunnen worden opgelopen door contact met (dode) dieren en dierlijk materiaal, contact met uitscheidingsproducten, door besmet voedsel, via parasieten (teken, vlooien, muggen, vliegen) of door contact met besmette grond en het inademen van aërosolen (bijvoorbeeld bij het schoonspuiten van stallen).

Voor meer achtergrondinformatie zie het Vademecum zoönosen en het Emerging Zoonoses, beide van het RIVM.

Wat is het effect van biologische agentia ?

De gevolgen van blootstelling aan biologische agentia kunnen sterk variëren van beperkte luchtwegirritatie tot ernstige ziekte met in sommige gevallen kans op dodelijke afloop. Biologische agentia kunnen een infectie, allergie, vergiftiging of kanker veroorzaken. Soms treedt het effect pas na lange tijd op; een incubatie tijd van enkele dagen na de blootstelling is heel gebruikelijk. Het kan zelfs jaren duren voor een ziekte zich openbaart, zoals bij hepatitis C of bij de ziekte van Lyme.

Typische beroepsinfecties zijn hepatitis A en B, TBC, de ziekte van Lyme, slagerswratten of de champignonkwekers ziekte. Voorbeelden van andere ziekten die door biologische agentia veroorzaakt kunnen worden zijn voedselvergiftiging, diarree, malaria en melkerskoorts.

Waar komen biologische agentia voor?

Biologische agentia komen in veel beroepen en bedrijfstakken voor. In een aantal bedrijfstakken of werksituaties is de kans redelijk groot dat werknemers blootgesteld worden aan biologische agentia. Bijvoorbeeld werk met dieren of dierlijke producten, in de gezondheidszorg, in de schoonmaak, in de afvalverwerkende industrie, maar ook in de voedingsindustrie, de glastuin- en akkerbouw. Er zijn bedrijfstakken waar men gericht werkt met biologische agentia, zoals in laboratoria waar biologische agentia geproduceerd worden of onderzocht worden met het oog op medische diagnostiek en behandeling.

Biologische agentia zijn ingedeeld in categorieën. Afhankelijk van de categorie schrijft het Arbobesluit speciale maatregelen voor.

Zie ook

  • Voor vragen en antwoorden over teken en tekenbeten heeft de RIVM de applicatie Tekenbeet ontwikkeld.