De Arbeidstijdenwet regelt hoe lang werknemers mogen werken en wanneer iemand recht heeft op pauze of rusttijd. De wet geeft werkgevers en werknemers ruimte om in onderling overleg afspraken te maken over werktijden.

Arbeidstijdenwet

Alle bedrijven en organisaties moeten zich houden aan de Arbeidstijdenwet (ATW). De wet geldt voor werknemers van 18 jaar en ouder en jongeren (16- en 17-jarigen). Onderwerpen die de Arbeidstijdenwet (ATW) regelt zijn:

  • de dagelijkse rust/pauze (art. 5:3)
  • de wekelijkse rust (art. 5:5)
  • werken op zondag (art. 5:6)
  • maximale arbeidstijd (art. 5:7)
  • arbeid in nachtdienst (art. 5:8)
  • consignatie (oproepdienst) (art. 5:9)

Per week moet er ten minste sprake zijn van een rustperiode van 11 uur per dag. De werkgever moet de gewerkte uren van werknemers deugdelijk registreren. De Inspectie SZW kan bij een controle om de urenregistratie vragen.

Verder geldt dat werknemers van 18 jaar en ouder maximaal 12 uur per dienst mogen werken en maximaal 60 uur per week. In een periode van 16 weken mag een werknemer gemiddeld niet meer dan 48 uur per week werken.

Zwangere vrouwen

Voor zwangere vrouwen gelden aanvullende regels:

  • Zwangere werknemers hoeven geen nachtdiensten te draaien.
  • Benodigde zwangerschapsonderzoeken gelden als arbeidstijd en moeten doorbetaald worden.
  • Een zwangere werknemer mag 28 dagen voor en 42 dagen na de vermoedelijke bevallingsdagen geen arbeid verrichten.
  • Tot 9 maanden na de bevalling heeft zij voedingsrecht en moet de werkgever de tijd die de werknemer besteedt aan borstvoeding (of kolven) doorbetalen.

Afwijken standaardrusttijd

Soms mag bij collectieve regelingen afgeweken worden van de voorschriften in de Arbeidstijdenwet. In het Arbeidstijdenbesluit staan algemene uitzonderingen voor bepaalde werknemers en bepaalde situaties. Daarnaast zijn er aanvullende regels voor de sectoren zorg en mijnbouw, de vervoerssectoren en een aantal overige sectoren.

Zo mag de werkgever bij aanwezigheidsdiensten afwijken van de standaardrusttijd (11 uur). Per 1 februari 2008 gelden hiervoor aangescherpte regels. Een kortere standaardrusttijd vóór en na een aanwezigheidsdienst is alleen toegestaan als daar een goede reden voor bestaat en dit collectief wordt afgesproken.

De rusttijd tussen twee diensten mag maximaal twee keer per week ingekort worden tot eenmaal 10 uur en eenmaal 8 uur voordat de volgende dienst begint. De kortere rusttijden mogen niet direct achter elkaar worden toegepast en moeten dus worden verspreid over de week. De gemiste rusturen moeten direct in de volgende rustperiode worden gecompenseerd.