Slecht horen als gevolg van lawaai behoort tot de meest voorkomende beroepsziekten en leidt vaak tot ernstige maatschappelijke en medische consequenties. Gehoorbescherming blijkt veelal noodzakelijk om lawaaislechthorendheid te voorkomen.

Gehoorbescherming

Lawaaislechthorendheid treedt op als het geluidsniveau (volume) in de gehoorgang te hoog is, onafhankelijk van het feit of dit geluid mooi klinkt of als lawaai wordt waargenomen. Als vuistregel geldt: als het niet mogelijk is om zonder stemverheffing een gesprek te voeren met iemand binnen een straal van een meter, bestaat de kans op het ontwikkelen van lawaaidoofheid.

Het geluidsniveau is te meten met een decibelmeter. Een decibelmeter geeft het geluidsniveau aan in dB(A).

De pijngrens

Enkele getallen:

  • Een normaal gesprek voeren levert een geluidsniveau op van circa 60 dB(A).
  • De pijngrens ligt bij de meeste volwassenen boven 120 dB(A).
  • Een autoradio op vol volume zit met pieken soms wel op 100 dB(A).
  • Het gevaar van lawaaislechthorendheid begint bij werknemers bij 80 dB(A). Boven deze waarde moet de werkgever volgens de Arbowet gehoorbescherming aanbieden. De noodzaak van dit volume moet ook in de RI&E worden opgenomen. Er zullen dan ook maatregelen moeten worden getroffen.
  • Bij 83 dB(A) mag een werknemer nog maar 4 uur zonder gehoorbescherming werken, waarbij er geen onacceptabel grote kans op gehoorschade mag bestaan. In de overige 4 uur mag dan geen hoog geluidsniveau meer voorkomen.
  • Een werknemer is verplicht gehoorbescherming te gebruiken als de dagdosis gemiddeld hoger is dan 85 dB(A).

Bronmaatregelen

Ook bij geluid geldt de arbeidshygiënische strategie: zorg er eerst voor dat de oorzaken aan de bron zijn weggenomen, bijvoorbeeld door een oude lawaaiige machine te vervangen door een stillere nieuwe. Als dat niet (volgens het oordeel van de OR) mogelijk blijkt moet de blootstellingstijd worden verkort. Als ook dat geen oplossing oplevert (onder 80 dB(A)), dan pas is het inzetten van gehoorbeschermers een wettelijk toegelaten optie.

Soorten gehoorbeschermers

Er zijn drie soorten gehoorbeschermers:

  • Gehoorkappen die als koptelefoons worden gedragen. Als deze de oren goed omsluiten, dan is een demping met 30 dB(A) mogelijk. Het dragen van gehoorkappen kan verhitting van de oren veroorzaken. Ook isolatie van de omgeving (en resoneren van eigen bewegingsgeluid) kunnen hinderlijke bijeffecten van het dragen van gehoorkappen zijn. 
  • Oorpluggen, dopjes, stopjes worden vaak niet goed in het hoorkanaal ingebracht, waardoor onvoldoende demping optreedt en dus gehoorschade kan ontstaan. Ook zijn ze niet altijd hygiënisch, waardoor gezondheidsklachten kunnen optreden.  
  • Otoplastieken zijn op maat gemaakte oordoppen die bescherming kunnen bieden oplopend tot 30 dB(A). Meestal worden ze echter afgestemd op de demping die noodzakelijk is op de werkplek, zodat ze niet meer dempen dan strikt noodzakelijk. Hierdoor stijgt het draagcomfort. Wel moeten de otoplastieken jaarlijks worden gecontroleerd op lekkage en voldoende dempende eigenschappen.

Bij het gebruik van een combinatie van verschillende gehoorbeschermers is het niet mogelijk om de afzonderlijke beschermingsniveaus bij elkaar op te tellen. Geluid kan via diverse wegen het middenoor bereiken, ondanks het dragen van een gehoorbeschermingsmiddel. Er moet o.a. rekening worden gehouden met beengeleiding (via schedelbeenderen), de mondholte, geluidslekken in en rondom de gehoorbeschermer en trillingen in de oorkap. Bij het gelijktijdig dragen van bijvoorbeeld oorkappen en een gehoorbeschermingsmiddel in de oorgang wordt dus nog altijd geluid naar het middenoor geleid. De gezamenlijke verzwakking is daarom altijd minder dan de opgetelde afzonderlijke verzwakking. De maximale verzwakking die met (combinatie van) gehoorbeschermers kan worden bereikt, bedraagt ongeveer 35 dB(A). Meer is niet mogelijk vanwege de geluidsoverdracht via botgeleiding en via de mondholte.

Het is aan te bevelen de informatie die de leverancier van gehoorbescherming verschaft te raadplegen voor de specifieke omstandigheden binnen een bedrijf. Voor welk soort beschermers de werkgever kiest, mag niet budgettair ingegeven zijn, maar moet in overeenstemming met de drager worden bepaald.

Zie ook