Regels voor werktijden

De Arbeidstijdenwet regelt onder meer hoe lang werknemers mogen werken en wanneer iemand recht heeft op pauze of rusttijd. Per 1 april 2007 is de nieuwe Arbeidstijdenwet van kracht. Deze vereenvoudigde wet geeft werkgevers en werknemers meer ruimte om in onderling overleg afspraken te maken over werktijden.

De Arbeidstijdenwet

De Arbeidstijdenwet (ATW) geldt voor werknemers van 18 jaar en ouder en voor jongeren (16- en 17-jarigen). Voor jongeren onder de 16 en zwangere vrouwen gelden aparte, strengere regels.

Werkgevers moeten in ieder geval rekening houden met het volgende:

  • Veranderingen in het arbeidspatroon (bijvoorbeeld het rooster) moeten minstens 28 dagen van tevoren worden meegedeeld aan de werknemers, tenzij daarover binnen de sector andere afspraken zijn gemaakt. Als 28 dagen vooraf niet mogelijk is, moet de werknemer uiterlijk vier dagen van tevoren horen wanneer hij moet werken. De werkgever moet bijhouden hoeveel uren werknemers hebben gewerkt. De Inspectie SZW kan hierom vragen.
  • Eventuele risico‚Äôs bij werktijden (bijv. bij ploegendienst en nachtwerk) moeten worden benoemd in de risico-inventarisatie & evaluatie (RI&E) en het Plan van Aanpak.
  • In het arbeids- en rusttijdenbeleid moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van werknemers. Denk bijvoorbeeld aan zorgtaken, scholing of een vaste vrije avond om te kunnen sporten.
  • Over het arbeids- en rusttijdenbeleid moet de werkgever overleggen met de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of betrokken werknemers.

Arbeids- en rusturen

De Arbeidstijdenwet biedt regelgeving over werk- en rusttijden. Onder meer de volgende regels moeten in acht worden genomen:

  • Werknemers van 18 jaar en ouder mogen maximaal 12 uur per dienst werken en maximaal 60 uur per week.
  • In een periode van 16 weken mag een werknemer gemiddeld niet meer dan 48 uur per week werken.
  • Per week moet er ten minste sprake zijn van een rustperiode van 11 uur per dag. De werkgever spreekt met de werknemer af hoe hij of zij de werktijd per dag en week invult.
  • Bij aanwezigheidsdiensten mag worden afgeweken van de standaard-rusttijd (11 uur). Een kortere standaard-rusttijd, voor en na een aanwezigheidsdienst, mag alleen als daar een goede reden voor bestaat en dit gezamenlijk wordt afgesproken.
  • In geval van aanwezigheidsdiensten mag de werkgever de rusttijd voor en na de aanwezigheidsdienst maximaal twee keer per week inkorten tot eenmaal 10 uur en eenmaal 8 uur, voordat de volgende dienst begint. De kortere rusttijden mogen niet direct achter elkaar worden toegepast en moeten dus worden verspreid over de week. De gemiste rusturen moeten direct in de volgende rustperiode worden goed gemaakt.
  • De werkgever mag op zondag (laten) werken als het soort werk dat noodzakelijk maakt (bijvoorbeeld horeca, zorg, politie). Zondagwerk mag ook als productieprocessen niet onderbroken mogen worden. Ook door bedrijfsomstandigheden mag op zondag gewerkt worden; ondernemingsraad en werknemer moeten er dan mee instemmen.
  • Kinderen onder 13 jaar mogen alleen werkzaamheden verrichten in het kader van optredens, bijvoorbeeld meedoen aan een televisieprogramma of musical. De Inspectie SZW moet hiervoor altijd toestemming geven. Vanaf 13 jaar mogen kinderen lichte arbeid verrichten, bijvoorbeeld een stage lopen. Er moet dan een stageovereenkomst zijn tussen school, ouders en werkgever. Meer informatie hierover op de pagina 'cultureel werk voor kinderen'.
  • Soms mag bij collectieve regelingen (zoals de cao) afgeweken worden van de voorschriften in de Arbeidstijdenwet. In het Arbeidstijdenbesluit staan algemene uitzonderingen voor bepaalde werknemers en bepaalde situaties. Daarnaast zijn er aanvullende regels voor de sectoren zorg, mijnbouw, de vervoerssectoren en een aantal overige sectoren.