Mensen met arbeidsbeperking eenvoudiger aan werk helpen

Meer dan de helft van de mensen met een arbeidsbeperking heeft geen werk, terwijl het overgrote deel van hen wel wíl werken. Denk aan de overbuurman die door autisme niet veel prikkels aan kan, de leerling van het speciaal onderwijs die wat meer tijd nodig heeft om een klus te klaren of het nichtje dat zich af en toe moet afsluiten om het hoofd weer op orde te krijgen. Ook zij willen eigen geld verdienen, erbij horen en zijn waardevol op de werkvloer. Staatssecretaris Tamara van Ark heeft op 27 maart een notitie naar de Tweede Kamer gestuurd waarin zij een uitwerking presenteert van haar voorstel voor invoering van loondispensatie in de Participatiewet. Daarmee wil de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid eraan bijdragen dat op termijn ruim 200.000 mensen met een beperking aan het werk gaan.

Nu zijn er meerdere regels voor werkgevers als er mensen bij hen komen werken die door een arbeidsbeperking niet het minimumloon kunnen verdienen. Nemen ze iemand met een Wajonguitkering in dienst, dan betalen ze alleen loon voor het deel dat iemand kan produceren (loondispensatie). Gaat iemand nu vanuit de bijstand werken, dan betaalt de werkgever een volledig loon voor de gewerkte uren en krijgt hij subsidie van de gemeente (loonkostensubsidie). Wie in deeltijd werkt, krijgt dan vaak nog een aanvulling vanuit de uitkering.

Dat verschil in regels verdwijnt voor werkgevers. Het kabinet wil het voor ondernemers eenvoudiger maken, zodat meer werkgevers mensen met een beperking in dienst nemen en houden. Door bij nieuwe contracten de werkgevers alleen te laten betalen voor wat iemand kan produceren. Zodat het niet uitmaakt welke achtergrond de werknemer met een arbeidsbeperking heeft (Wajong of Participatiewet): het instrument dat kan worden ingezet is hetzelfde.

Dus als iemand door een beperking minder snel werkt of minder kan dan een ander en daardoor niet het minimumloon kan verdienen, hoeft de werkgever ook voor mensen die vanuit de bijstand gaan werken niet het hele loon te betalen. Hoe hoog dat loon is wordt objectief vastgesteld en aangevuld met een uitkering voor de werknemer tot minumumloon. In totaal houdt de werknemer met een arbeidsbeperking door te werken meer geld over dan als hij alleen een uitkering zou hebben (zie voor de opbouw van de aanvulling pagina 4 in bijgevoegde hoofdlijnennotitie).

De nieuwe regeling heeft naast plussen ook minnen. Immers, aanvullend pensioen en WW worden opgebouwd over loon, niet over de uitkering. Doordat de werknemer een lager loon ontvangt, bouwt hij minder aanvullend pensioen en WW op dan bij de regels die nu gelden. En bijstand is er voor mensen die niet zelf in hun bestaan kunnen voorzien. Heb je geen recht op een uitkering, bijvoorbeeld door een werkende partner of eigen vermogen, dan houdt de werknemer minder over dan mensen met een beperking die onder de huidige regels werken, maar meer dan als hij niet zou werken. Doel is om meer mensen kans op werk te geven.

Deze manier van werken kost de overheid minder dan de regeling die er nu is. Het geld dat overblijft, krijgen gemeenten om mensen met een beperking te helpen bij werk of door banen te creëren voor mensen die veel ondersteuning nodig hebben. De ondersteuning die er nu al is om mensen met een arbeidsbeperking aan werk te helpen, zoals een jobcoach, aanpassingen op de werkvloer en het risico dat de overheid op zich neemt als deze mensen ziek worden, blijven bestaan.

Elke regeling heeft voor- en nadelen. Wat voor het kabinet het zwaarst weegt, is dat meer mensen de kans krijgen om aan het werk te komen. Daar moet de nieuwe regeling aan bijdragen.

Bron: Rijksoverheid.nl