Werkstress als examenvak

De cijfers zijn duidelijk: 240.000 jonge werknemers tussen de 25 en 35 jaar lopen het risico op een burn-out. Hoe komt dat? En nog belangrijker: wat valt er tegen te doen?

Dat waren twee van de vragen bij de rondetafeldiscussie Jongeren en Werkstress op 18 november in Den Haag.

Carrière
De dochter van SER-voorzitter Mariëtte Hamer is 17. Toch heeft ze het al erg druk – en niet alleen met school. “Toen ik zo oud was als zij, was ik nog niet zo met werk bezig”, zegt Hamer zelf. “Maar zij heeft naast haar studie ook nog eens een bijbaan. Nee, niet in de eerste plaats om het geld, maar vanwege haar carrière. Je ziet die angst tegenwoordig veel onder jongeren: als ze dadelijk afstuderen zonder werkervaring, krijgen ze moeilijk een baan.”

Hamer opende de rondetafeldiscussie Jongeren en Werkstress, en haar verhaal was een aftrap. Want jongeren – onder de 35 jaar – hebben vaak met werkstress te maken. Grofweg 17% van de jonge werknemers tussen 25 en 35 jaar kampt met burn-out klachten, zoals compleet uitgeput zijn of zich leeg voelen aan het eind van de werkdag. En dan zijn zij nog maar net aan hun loopbaan begonnen.

Rondetafel
Vandaar de rondetafeldiscussie op 18 november in het SER-gebouw in Den Haag. Het tijdstip was niet willekeurig gekozen, want toen was het de Week van de Werkstress, en juist deze 18e november staat in het teken van dialoog. De locatie was evenmin toevallig. Want het SER Jongerenplatform is, samen met het Nederlands Focal Point voor Veiligheid en Gezondheid op het werk en het Ministerie van SZW, de initiatiefnemer van deze bijeenkomst.

Over werkstress wordt veel gedebatteerd, maar relatief weinig door jongeren zelf. Daarom is aan de deelnemers van het SER Jongerenplatform gevraagd over dit thema van gedachten te wisselen. De volgende jongeren waren aanwezig:

Esther Crabbendam, FNV Jong

Elwin Wolters, VCP Young Professionals

Jolanda Lekkerkerk, AWVN Young HR

Tessa Ruijgrok, Jong Management VNO-NCW

Nicky Nijhuis, JOB (Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs)

Kim Wiggers, JOB (Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs)

Gaby Drenth, NJR (Nationale Jeugdraad)

Werkstress
Na een mini-college van TNO over wat werkdruk en werkstress nu eigenlijk zijn, blijkt dat veel van de aanwezige jongeren werkstress ook al aan den lijve hebben ondervonden. Een van hen heeft zelfs gekampt met een burn-out. “Op een dag merkte ik dat ik m’n targets niet meer haalde, en de kwaliteit van mijn werk holde achteruit. Het ligt aan mij, dacht ik in het begin, ik moet me nog meer inzetten. Het duurde geruime tijd voordat ook de omgeving besefte dat er iets mis was.”

Enthousiast
Hier stuiten we op het eerste probleem: niet altijd trekken jongeren op tijd aan de bel. Ze zijn enthousiast, pakken alles aan, en blijven maar doorgaan. Ja, de meesten van hen kennen de cijfers. Zij weten dat hun leeftijdsgroep een groot risico loopt op burn-out. Maar ze beseffen niet dat dit ook geldt voor henzelf. Of zoals een van de deelnemers het uitdrukte: “Iemand van 20 of 30 denkt niet aan een burn-out. Dat is meer iets voor veertigplussers.”

Druk
Maar lang niet altijd is er sprake van jeugdige overmoed. Het leven van studenten en jonge werkenden valt soms gewoon niet mee. Ze staan onder druk. Zo wijzen meerdere deelnemers op het toenemend aantal jaarcontracten. Het gevolg daarvan: jonge werknemers pakken alles aan en werken lange dagen om na dat jaar aan het werk te blijven. Maar helaas is de beloning in veel gevallen karig. In plaats van zekerheid krijgen ze een nieuw jaarcontract.

Een andere vorm van druk is sociaal. Misschien voel je als jongere wel dat je onder grote spanning staat, maar dat staan collega’s ook. Bovendien: die hebben er soms ook nog een paar kinderen bij. Dus kun je voor je gevoel onmogelijk aan de bel trekken.

Vroeg
Een mengeling van overmoed, verantwoordelijkheidsgevoel en pure dwang dus. Jammer, vinden de deelnemers, want werkstress moet worden aangepakt in een vroeg stadium. Een deelnemer gaf een mooi voorbeeld: “Tijdens een werkoverleg maakte ik een keer een halve opmerking over mijn werkdruk. In de dagen daarna stond werkelijk iedere collega even stil bij mijn bureau: “Hoe gaat het nu met je?” Dat vond ik toen enigszins overdreven, maar toch … dit is wel zoals het hoort.”

Maar helaas, het is niet altijd zoals het gaat. Toen een andere deelnemer haar eerste werkgever vertelde dat ze het werk niet meer aankon, luisterde die beleefd. “En daarna gaf hij mij nog meer werk.”

Oplossingen
Wat moet er aan werkstress worden gedaan? En door wie? Om met die laatste vraag te beginnen: er zijn enkele betrokkenen. De werknemer zelf natuurlijk, en de werkgever. Maar ook – verrassend genoeg – de scholingsinstituten.

Laten we beginnen met de verantwoordelijkheid van de werknemer zelf. Die moet leren om bij zichzelf en anderen vroegtijdig de signalen te herkennen. Wat doe je bijvoorbeeld als je op het werk wordt aangesproken door een bezorgde collega: “Gaat het wel goed met je?” Dan roepen negen van de tien mensen: “Natuurlijk, het gaat prima!” – maar dat is niet verstandig. Anderen zien vaak meer dan jij, en dus moet zo’n vraag je aan het denken zetten.

Werkgevers
In meerderheid leggen de deelnemers de verantwoordelijkheid bij een tweede partij: de werkgevers. En er zijn voorbeelden te noemen van werkgevers die dat ook waarmaken.

Neem Google. Als je bij dit bedrijf werkt, evalueer je zelf je werkdag. Dat doe je eenvoudig met een lachende smiley of met de chagrijnige tegenhanger hiervan. Deze gevoelsuitingen mail je door aan de afdeling HR. En als aan het eind van de week blijkt dat jouw team goed is voor veel sombere werkdagen, komt iemand van HR met je praten. “Kan ik jullie misschien helpen?”

Een advies van de deelnemers aan de werkgever: zorg ervoor dat je je werknemers kent. Dan kun je hen zo prettig mogelijk laten werken. Sommige werknemers beginnen ’s ochtends bijvoorbeeld het liefst om 10:00 uur en werken dan tot 20:00 uur ‘s avonds door. Juist met zulke regelmogelijkheden kun je werkstress bestrijden.

Scholing
Terug naar de dochter van Mariëtte Hamer. Want de vraag dringt zich op of haar bijbaan geen voordelen biedt. Vaak hoor je werkgevers verzuchten dat jonge werknemers beschikken over te weinig discipline. Geen wonder, ze moeten overschakelen van de studieweek van 10 uur naar een volledige werkweek.

Is het dus geen goed idee om die werkervaring op te doen tijdens je studie? Leer je op die manier niet omgaan met werkstress? Niet iedereen is overtuigd. Een van de deelnemers formuleerde haar twijfel aldus: “Op die manier leer je stress te hebben en het normaal te vinden. Er is niemand die je uitlegt hoe je ermee moet omgaan.”

Dat laatste vormt volgens de deelnemers de kern. Jongeren moeten leren om die stress bij zichzelf te herkennen en om terug te vallen op goede copingstrategieën. En heel belangrijk: dat moeten ze al leren op school of op de universiteit. Docenten moeten werkstress opnemen in het lespakket.

Tot slot
Nogmaals, over werkstress was al veel gedebatteerd, ook over de verhoogde kwetsbaarheid van jongeren. Maar zelden was het debat gevoerd door jongeren zelf. En volgens de deelnemers is dat belangrijker dan je misschien zou denken. Zij zijn tenslotte de werknemers en de werkgevers van de toekomst!

Voor ze gaan werken, krijgen jongeren steeds te horen dat ze kansen moeten pakken. Vrijwilligerswerk, bestuurswerk, bijbanen en natuurlijk hun studie. Maar als ze dan eindelijk aan de slag gaan, krijgen ze te maken met honderden regels. Ze moeten passen in een mal, er is nauwelijks ruimte voor autonomie en eigen inbreng. Dat geeft stress. Laat ze dus meedenken over belangrijke strategische beslissingen, geef ze de regie over hun eigen leven. Dat is de belangrijkste manier om werkstress te bestrijden.

Ook hebben de jongeren nog enkele adviezen voor de SER. De belangrijkste: blijf aandacht geven aan het thema werkstress en blijf de dialoog stimuleren. En meer in het bijzonder: ga vaker het gesprek aan met jongeren en de achterban van jongerenorganisaties. Leg in die gesprekken de nadruk op best practices van bedrijven die de werkdruk met succes hebben aangepakt. En maak gebruik van het werkdrukmodel van TNO, zodat we allemaal over hetzelfde spreken en we elkaar direct begrijpen.

Bron: Arbo-online.nl