arboportaal > Stoffencentrum > Stoffen > Stoffen H-Z > Lasrook > Mogelijke beheersmaatregelen

Mogelijke beheersmaatregelen

Mogelijke beheersmaatregelen om blootstelling aan lasrook te voorkomen

1. Voorbereiding

Kies een verbindingstechniek die zo min mogelijk lasrook oplevert. Mechanisch verbinden, solderen en lijmen zijn mogelijke alternatieven voor lassen.
Als het lassen geautomatiseerd en op afstand gestuurd wordt, ademen werknemers nog minder lasrook in.
Lassen onder poeder voorkomt dat de metaaloxiden in de lucht komen. Ook TIG-lassen is een schoon alternatief. Omdat er geen zuurstof wordt gebruikt, komen er weinig metaaloxiden vrij en is het een relatief schoon proces. Hetzelfde geldt voor Plasmalassen, een TIG-proces met gekoelde toorts en een dubbele gasstroom.
MIG/MAG-lassen wordt in ruim de helft van de gevallen toegepast. Een neutraal (inert) of actief gas beschermt het lasbad. Aan het gas is meestal CO of CO2 toegevoegd. Dit veroorzaakt metaaloxiden. Maximaal 5 procent CO of CO2 geeft de laagste lasrookemissie. Een moderne variant is PulsMIG. Door de stroom in pulsen toe te voeren is het proces stabieler, ontstaan er minder spatten en is het schoner. Ook het STT-lassen is een gestabiliseerd MIG/MAG-proces. In het algemeen geldt dat moderne lasapparaten via elektronische weg het proces stabieler en schoner laten verlopen.
Roestvaststaal lassen is ongunstig, omdat het chroom bevat, maar ook omdat meer toegevoegd lasmateriaal nodig is voor een las.
Een hogere stroomsterkte veroorzaakt ook meer lasrook, net als een lange inschakelduur (ID).
Verf – vooral loodmenie – en andere verontreinigingen veroorzaken extra veel lasrook. Deze moeten zoveel mogelijk verwijderd worden. Zo niet, dan moet in een aparte ruimte, met adembescherming en verse luchttoevoer worden gelast.

2. Bronafzuiging

Omdat bij ieder lasproces lasrook ontstaat, moet de rook bij de bron worden afgezogen. Afzuigapparatuur die automatisch start bij inschakeling van de lasapparatuur, voorkomt het lassen zonder afzuiging.
Zorg ervoor dat afzuiging dicht bij de bron plaatsvindt en dat er geen ‘valse’ luchtstromen zijn als gevolg van openstaande deuren en dergelijke.
Als er een goede bronafzuiging is kan de ruimteventilatie lager zijn.

3. Het ventileren van de werkruimte

Een lasplaats moet met 2300 m3/uur geventileerd worden, waarvan een derde van de lucht van buiten komt. Bij TIG lassen van aluminium moet de ventilatie 5100 m3/uur zijn. Bij goede bronafzuiging kan de ruimteventilatie lager zijn.
Bij het lassen met RVS-elektroden en het MIG-lassen met massieve, kopergelegeerde draad moet de ventilatie 7200 m3/uur per lasplaats zijn.
MIG-lassen met massieve, bariet- en vanadiumgelegeerde draden, of het lassen van materiaal met loodmenie erop, mag alleen in een afgescheiden ruimte plaatsvinden.

4. Persoonlijke beschermingsmiddelen

Een lashelm is altijd verplicht, ter bescherming van de ogen tegen straling. Bij MIG/MAG-lassen is adembescherming verplicht. Dit kan een halfgelaatsmasker met een filter zijn. Als meer lasrook ontstaat, is onafhankelijke adembescherming (overdrukkappen, of adembescherming met verse luchttoevoer) verplicht.
Om te voorkomen dat laskappen steeds op en af gaan, is het aan te bevelen om lashelmen te gebruiken met lasschermen die zich aanpassen aan het licht (zelfregulerend).

5. Overige maatregelen

Kies tijdens het lassen voor een positie die zo min mogelijk lasrook in de ademhalingszone brengt. Vaak zal dit een onderhandse positie zijn. MIG/MAG-lassers staan vaak dichter op het lassen. Iets verder weg staan kan de blootstelling aan lasrook verminderen.
Geautomatiseerde snij- en lasprocessen voorkomen blootstelling aan lasrook. Uiteraard is dit niet overal toepasbaar.
Goede bereikbaarheid van de te lassen objecten helpt bij het innemen van een goede positie ten opzichte van de rookpluim. Daarbij valt te denken aan manipulators en (rol)steigers.

Document acties
 
Waardering bezoekers:
  •